Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 april 2012

Alinea 167 Parket bij de Hoge Raad 3 april 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU3452.

22. Het voorgaande laat uiteraard onverlet dat het recht op vervolging en berechting binnen een redelijke termijn moet geschieden (art. 6 EVRM). De norm voor de tijd waarbinnen volgens de Aanwijzing een beslissing moet worden genomen al dan niet te vervolgen kan van betekenis zijn bij de beoordeling van de redelijke termijn van vervolging, ook al kan de verdachte aan die voortgangsnorm geen zelfstandig recht ontlenen. Het oordeel dat in dit geval bij de vervolging de redelijke termijn is geschonden berust kennelijk op art. 6 EVRM. In het arrest noch in het vonnis wordt aangenomen dat overschrijding van de redelijke termijn, afgezien van verjaring, tot niet-ontvankelijkheid in de vervolging kan leiden. Maar dat wil niet zeggen dat de vertraging in de vervolging helemaal geen factor van betekenis kan zijn bij de beoordeling van de ontvankelijkheid in de vervolging.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bd11344a8a02bb9430516618c051206e40f89fd328400a28698a11a774c2076d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bd11344a8a02bb9430516618c051206e40f89fd328400a28698a11a774c2076d, en de alinea staat in dat document op bytes 48803 tot 49691.