Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 april 2012
Alinea 168 Parket bij de Hoge Raad 3 april 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU3452.
23. Verdachte is ten tijde van de aanhouding een achtentwintigjarige man, zonder enig uit justitiële documentatie blijkend strafrechtelijk verleden. Hij wordt in 2007 aangehouden op verdenking van ernstige zedendelicten die hij als kind in de leeftijdsfase van dertien tot vijftien jaar, in de periode van 8 maart 1992 tot en met 31 november 1994, zou hebben gepleegd ten opzichte van een meisje in de leeftijdsfase van vier tot zeven jaar. Hoewel de aangifte onmiskenbaar aspecten vertoont van 'hervonden herinneringen' van aangeefster, al is de aangifte daartoe niet geheel te herleiden, en de aangifte bovendien is gedaan nadat aangeefster therapeutisch is behandeld, is, volgens het Hof in navolging van de Rechtbank, in strijd met de toepasselijke Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksuele misdrijven de LEBZ niet geconsulteerd. Zonder voorafgaande verplichte consultatie van de LEBZ had in dit geval niet tot aanhouding van de verdachte mogen worden overgegaan. Die omissie is na de aanhouding niet gecompenseerd door de in de Aanwijzing voorziene facultatieve toetsing. De aanvullende overweging van het Hof brengt tot uitdrukking dat geboden onderzoek naar aspecten van hervonden herinneringen vooral de meest ernstige aspecten van de verwijten zou kunnen betreffen. De gang van zaken levert volgens het Hof, het vonnis van de Rechtbank bevestigend, een ernstig vormverzuim op. Dat verzuim is naar de aard ervan onherstelbaar. Vervolgens is, anders dan is voorgeschreven in de Aanwijzing, waarin na binnenkomst van het proces-verbaal ten parkette een maximale termijn van drie maanden is vermeld voor het nemen van de vervolgingsbeslissing, ruim een jaar verstreken voordat de verdachte is gedagvaard, mede omdat niet spoedig een vervolgingsbeslissing is genomen. Ook al kan een dergelijk termijnverzuim geen zelfstandige grond voor niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie opleveren, in samenhang met andere factoren kan daar voor de beslissing over de ontvankelijkheid wel enige betekenis aan worden gehecht. Uit het verhandelde ter terechtzitting, waar uitsluitend de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is besproken, blijkt voorts dat bij het Openbaar Ministerie door personele wisselingen dan kennelijk niet meer bekend is of het verhoor van aangeefster op een geluidsband is opgenomen of niet, ondanks het belang dat daaraan in de Aanwijzing in een zaak als de onderhavige wordt gehecht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bd11344a8a02bb9430516618c051206e40f89fd328400a28698a11a774c2076d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bd11344a8a02bb9430516618c051206e40f89fd328400a28698a11a774c2076d, en de alinea staat in dat document op bytes 49711 tot 52155.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bd11344a8a02bb9430516618c051206e40f89fd328400a28698a11a774c2076d | shasum -a 256