Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 april 2012

Alinea 175 Parket bij de Hoge Raad 3 april 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU3452.

2 In de MvT (verjarings- en klachttermijnen zedendelicten) Kamerstukken 1992/93, 22 889, nr. 3, p. 5, stelt de minister: "Ik erken dat er bezwaren kunnen zijn tegen het oprekken van verjaringstermijnen. Het is algemeen aanvaard dat het recht tot strafvordering na zekere tijd verjaart. De argumenten hiervoor zijn dat de humaniteit gebiedt om op zeker ogenblik een streep onder een zaak te zetten. De verdediging wordt, in het bijzonder in gevallen als deze, waarin het bewijs van de juiste toedracht vaak door getuigen moet worden geleverd, na geruime tijd moeilijk, zo niet onmogelijk vgl. Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 2, bij artikel 70 Sr). Ik ben van oordeel dat het belang van degene die op jeugdige leeftijd seksueel is misbruikt, en de overige belangen die de strafvordering beoogt te beschermen, in het onderhavige voorstel op evenwichtige wijze zijn afgewogen."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bd11344a8a02bb9430516618c051206e40f89fd328400a28698a11a774c2076d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bd11344a8a02bb9430516618c051206e40f89fd328400a28698a11a774c2076d, en de alinea staat in dat document op bytes 54354 tot 55243.