Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 april 2012

Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 6 april 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU3784.

10. Het hof, dat ervan is uitgegaan dat voor de aanvang van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW de opeisbaarheid van de vordering als ondergrens geldt, heeft overwogen dat in het midden kan blijven op welk moment de regresvordering van de hoofdelijk schuldenaar die een groter deel van de schuld aan de schuldeiser betaalt dan hem in de interne relatie tot de andere hoofdelijk schuldenaar aangaat, ontstaat: bij het tot stand komen van de hoofdelijke verbondenheid, zodat de vordering moet worden gekwalificeerd als een vanaf dat moment bestaande vordering onder opschortende voorwaarde van betaling van meer dan het eigen (interne) aandeel in de schuld aan de schuldeiser dan wel pas op het moment dat de hoofdelijk schuldenaar daadwerkelijk meer dan zijn eigen aandeel in de schuld betaalt, zodat de vordering moet worden aangemerkt als een toekomstige vordering. Het hof overwoog in dat verband - in cassatie onbestreden - dat immers zowel in het eerste geval als in het tweede geval de vordering pas opeisbaar is nadat de hoofdelijke schuldenaar daadwerkelijk meer dan zijn eigen aandeel in de schuld van de schuldeiser heeft betaald.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0c5e4e35ddc4fb5980a8fac3f4a3e19a0ccc1da2b9a60fe30a6249a2e5e40a3d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0c5e4e35ddc4fb5980a8fac3f4a3e19a0ccc1da2b9a60fe30a6249a2e5e40a3d, en de alinea staat in dat document op bytes 26504 tot 27672.