Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2012

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU4911.

2.7. Het aangehaalde arrest HR 12 september 2003 betrof een gekochte, maar nog niet geleverde woning waaraan de kopers gebreken ontdekten; de kopers ontbonden de overeenkomst. In geschil was de vraag of de contractuele boete verschuldigd was. De verkopers beriepen zich bij de feitenrechter met succes op het ontbreken van een ingebrekestelling. De Hoge Raad overwoog dat indien de in cassatie bestreden beslissing berustte op de gedachte dat voor het intreden van verzuim steeds een ingebrekestelling nodig is, dit oordeel blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting: art. 6:83 BW behelst niet een limitatieve opsomming van gevallen waarin geen ingebrekestelling is vereist. Indien het hof tot zijn oordeel was gekomen doordat geen aandacht is besteed aan een stelling van de kopers, dat zij uit mededelingen van de verkopers en uit hun verdere houding hebben mogen afleiden dat de verkopers niet bereid waren alsnog deugdelijk na te komen, was dat oordeel niet toereikend gemotiveerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9fd02b4a7d5189eebf4f399f03ec535d69cebcbe3f89dc1e158b215df63163bb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9fd02b4a7d5189eebf4f399f03ec535d69cebcbe3f89dc1e158b215df63163bb, en de alinea staat in dat document op bytes 18728 tot 19727.