Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2012

Alinea 45 Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU4911.

2.11. Deze klacht mist mijns inziens feitelijke grondslag(18). Het hof gaat juist uit van de hoofdregel die in dit middelonderdeel voorop is gesteld. In de eerste volzin van rov. 19.7 heeft het hof immers overwogen dat uit de beantwoording door de deskundige van vraag 3 blijkt dat correcte nakoming in dit geval niet blijvend of tijdelijk onmogelijk was. In de redenering van het hof was er dus geen sprake van een geval waarin de wet geen ingebrekestelling eist omdat nakoming (blijvend) onmogelijk is (zie alinea 2.2 hiervoor). Integendeel, het hof gaat ervan uit dat in beginsel een ingebrekestelling was vereist. Het hof heeft, onder verwijzing naar de in rov. 19.6 aangehaalde jurisprudentie, in rov. 19.7 onderzocht of er op grond van de redelijkheid en billijkheid redenen zijn om aan te nemen dat het ontbreken van een schriftelijke ingebrekestelling niet in de weg staat aan de gevorderde ontbinding en schadevergoeding. Gelet op die jurisprudentie, geeft dit oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9fd02b4a7d5189eebf4f399f03ec535d69cebcbe3f89dc1e158b215df63163bb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9fd02b4a7d5189eebf4f399f03ec535d69cebcbe3f89dc1e158b215df63163bb, en de alinea staat in dat document op bytes 21816 tot 22863.