Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2012

Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU4914.

8.9. Erkend moet worden dat wat in paragraaf 7 is overwogen(5) over [verweerder]s geestestoestand en de consequenties die de bank daaruit had behoren te trekken, thans niet zonder meer beslissend is. Ging het er daar immers om wat de bank in oktober 2000 wist of behoorde te weten, thans is ook relevant hoe de bank [verweerder] daarna werkendeweg heeft leren kennen. En zij moet hem hebben leren kennen als een man die zeer intensief, zeer gedreven en zeer risicovol met zijn vermogen omging. Maar de vraag is of hij ook iemand was (en of de bank moest beseffen dat hij iemand was) die niet wist wat hij deed of die de verantwoordelijkheid voor zijn handelen niet kon dragen. De rechtbank kan die vraag - ook op basis van [verweerder]s eigen stellingen - niet bevestigend beantwoorden en is van oordeel dat de bank niet gehouden was [verweerder] te beletten door beëindiging van de relatie of door een weigering bepaalde transacties uit te voeren - te handelen zoals hij wenste te handelen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d135cbb015ed34025c2984d709b49732cf23447b1d6f4588c26ba126b0297470. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d135cbb015ed34025c2984d709b49732cf23447b1d6f4588c26ba126b0297470, en de alinea staat in dat document op bytes 15442 tot 16447.