Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2012

Alinea 81 Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU4914.

2.6 Bij de beoordeling van dit onderdeel moet worden vooropgesteld dat het hof, veronderstellenderwijs, is uitgegaan van een adviesrelatie. De bank heeft in eerste aanleg bij herhaling gewezen op deze aard van de relatie.(28) [Verweerder] heeft gesteld dat de bank zonder zijn opdracht transacties heeft uitgevoerd, maar dat heeft de bank uitdrukkelijk weersproken en het is niet komen vast te staan. De bank heeft gesteld dat aan [verweerder] een kredietlimiet is verstrekt om hem in staat te stellen optieposities in te nemen "met bijbehorende marginverplichtingen".(29) [Verweerder] heeft steeds aan zijn verplichtingen kunnen voldoen. De bank heeft erkend dat risicovolle posities zijn ingenomen, maar volgens haar altijd in opdracht van [verweerder].(30) Ten slotte heeft de bank erop gewezen dat van een intensieve begeleiding geen sprake is geweest.(31) Deze stellingen van de bank zijn aangevoerd in het kader van het bij conclusie van dupliek door de bank als productie 16 overgelegde "Beleggings Inventarisatie Formulier" (hierna: BIF). Daarin staan gegevens vermeld met betrekking tot "klantbeeld" en "doelrisicoprofiel"(32). Volgens de bank is dit formulier door [verweerder] voor gezien en voor akkoord ondertekend. [Verweerder] heeft in eerste aanleg bij akte (houdende uitlating producties) op dit formulier gereageerd. Volgens hem is het onvolledig en (op bepaalde onderdelen) onjuist ingevuld. De rechtbank heeft het standpunt van [verweerder] verworpen in rov. 8.3. Daartegen keerden zich de grieven IX en X, die volgens het hof slagen. Grief IX bestreed de juistheid van het oordeel dat [verweerder] "indringende ervaring" met beleggen had. Grief X keerde zich tegen het oordeel dat het "verwijt van veronachtzaming van voorschrift 4.11 van bijlage 4" (van de NR) niet nader is toegelicht. [Verweerder] heeft daarnaast in de memorie van grieven onder 3.32-39 herhaald dat de bank heeft verzuimd een cliëntenprofiel op te stellen. Hierop heeft de bank (betrekkelijk summier) gereageerd in de onderdelen 43-44 van de memorie van antwoord. Bij pleidooi is deze kwestie zowel door [verweerder] (pleitnota nrs. 22-24) als door de bank (pleitnota nr. 6 en nr. 16) kort besproken. Uit het processuele debat kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat [verweerder] meende dat een cliëntenprofiel ontbrak en dat de bank volhield dat dit er wel was in de vorm van het BIF, dat volgens de stellingen van de bank berustte op voorafgaande gesprekken met [verweerder]. Uit rov. 19 blijkt dat het hof de stellingen in hoger beroep van [verweerder] ook aldus heeft verstaan dat de bank, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet heeft voldaan aan haar onderzoeksplicht met betrekking tot [verweerder]s financiële positie, beleggingservaring en beleggingsdoelstellingen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d135cbb015ed34025c2984d709b49732cf23447b1d6f4588c26ba126b0297470. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d135cbb015ed34025c2984d709b49732cf23447b1d6f4588c26ba126b0297470, en de alinea staat in dat document op bytes 44716 tot 47516.