Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2012

Alinea 98 Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU4969.

4.11 Het middel is gebaseerd op een rechtens onjuist uitgangspunt en een onjuiste lezing van het arrest. Het middel neemt namelijk als uitgangspunt dat voor uitstoting sprake moet zijn van een gevaar voor 'ondergang van onderneming', dat de uit te stoten aandeelhouder 'alles doet en niets nalaat om de onderneming te gronde te richten' en dat de Ondernemingskamer die maatstaf terecht als uitgangspunt heeft genomen. Op basis daarvan, zo stelt het middel, is de door de Ondernemingskamer gegeven motivering onbegrijpelijk. De maatstaf van art. 2:336 lid 1 BW is echter dat er sprake van moet zijn dat de uit te stoten aandeelhouder door zijn gedragingen het belang van Elf zondanig schaadt, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Hierin zijn drie elementen te ontdekken, (i) de gedragingen die aanleiding zijn tot uitstoting; (ii) schade aan het vennootschappelijk belang en (iii) een redelijkheidstoets. Over de invulling van de toetsingsnorm bestaat wel enige onduidelijkheid(3), maar m.i. is in ieder geval onjuist dat uitstoting niet gerechtvaardigd kan zijn als de betreffende aandeelhouder niet 'alles' doet om 'de onderneming te gronde te richten'. Dat heeft de Ondernemingskamer dan ook - terecht - niet als uitgangspunt genomen. Ik meen voorts dat niet vereist is dat het voortbestaan van de onderneming direct in gevaar is. Ook als een onderneming bijvoorbeeld vleugellam wordt gemaakt, daardoor flinke schade oploopt - bijvoorbeeld door een verslechterde concurrentiepositie of solvabiliteit -, maar (vooralsnog) niet dreigt om te vallen, moet het mogelijk zijn een querulant uit te stoten. Uit de toelichting bij het voorontwerp van de wet blijkt dat het er om ging dat de besluitvorming werd verlamd en het functioneren van de vennootschap in gevaar werd gebracht.(4) In de literatuur wordt ook aangenomen dat de verhouding niet dusdanig verstoord hoeft te zijn dat het voortbestaan van de vennootschap in gevaar is.(5) De Ondernemingskamer heeft de maatstaf van art. 2:336 BW in casu ingevuld door te oordelen dat de continuïteit van Elf direct in gevaar kwam, wat zowel het voortbestaan als het goede functioneren van de vennootschap kan omvatten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9cc4328e812c659c96d47982bff826ccde7ceef0a9f4a403dd9b8abda4d9541e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9cc4328e812c659c96d47982bff826ccde7ceef0a9f4a403dd9b8abda4d9541e, en de alinea staat in dat document op bytes 35453 tot 37679.