Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2012
Alinea 208 Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU6250.
4.1 Het eerste middel is gericht tegen 's hofs oordeel dat het bepaald niet uitgesloten is dat verdachte bij een andere eerdere gelegenheid in contact is gekomen met de badjas en aldus het bemonsterde spoor heeft achtergelaten.(1) Het middel klaagt, in de kern genomen, erover dat het hof met dit oordeel de gegeven vrijspraak mede heeft doen berusten op een gissing of veronderstelling welke geen onderwerp van debat is geweest ter terechtzitting in hoger beroep, hetgeen strijdig is met beginselen van een behoorlijke procesorde, althans met het onmiddellijkheidsbeginsel. De steller van het middel neemt daarbij in aanmerking dat verdachte, desgevraagd, heeft geweigerd een verklaring af te leggen over de vraag hoe DNA-materiaal dat mogelijk van hem afkomstig is op de badjas van het slachtoffer terecht is gekomen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8df5df08599a7a4a0b1e64f2f0cdc09eae020541e0c906f55e437a79d841873d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8df5df08599a7a4a0b1e64f2f0cdc09eae020541e0c906f55e437a79d841873d, en de alinea staat in dat document op bytes 96431 tot 97263.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8df5df08599a7a4a0b1e64f2f0cdc09eae020541e0c906f55e437a79d841873d | shasum -a 256