Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2012
Alinea 346 Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU6250.
5.5.4.3 Uit het voorgaande volgt dat de advocaat-generaal uiteen heeft gezet waarom de op de badjas aangetroffen DNA-sporen dienen te worden aangemerkt als dadersporen. In de kern is daartoe aangevoerd, zo lees ik, dat het onwaarschijnlijk is dat verdachte op een ander moment dan bij het plegen van het misdrijf gelegenheid heeft gehad DNA-materiaal op de badjas van het slachtoffer achter te laten, mede doordat de badjas in elk geval na de laatste ontmoeting tussen verdachte en het slachtoffer nog is gewassen, en dat de badjas bovendien op die locaties is bemonsterd waar dadersporen, gelet op het verloop van het misdrijf, in de rede liggen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8df5df08599a7a4a0b1e64f2f0cdc09eae020541e0c906f55e437a79d841873d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8df5df08599a7a4a0b1e64f2f0cdc09eae020541e0c906f55e437a79d841873d, en de alinea staat in dat document op bytes 143241 tot 143901.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8df5df08599a7a4a0b1e64f2f0cdc09eae020541e0c906f55e437a79d841873d | shasum -a 256