Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 januari 2012

Alinea 49 Parket bij de Hoge Raad 27 januari 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 januari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU6510.

2.11. Bij deze stand van zaken kon het gerechtshof te Amsterdam tot het oordeel komen dat, voor zover de vordering was gebaseerd op het niet nagekomen periodiek verrekenbeding, slechts een bedrag van f 11.000,-, vermeerderd met het resultaat van belegging daarvan in de aandelen, voor verrekening in aanmerking kwam. Het hof heeft de grief van de man, tegen het oordeel dat de totale waarde(-stijging) van de aandelen bij helfte tussen partijen moest worden gedeeld, in rov. 4.2 dan ook gegrond geacht. Anders dan het cassatiemiddel veronderstelt, bepaalt art. 1:141 lid 3 BW niet dat de man moet bewijzen dat (een deel van) de financiering van de aandelen ten laste van zijn privévermogen is gekomen. Voor toepassing van dat artikellid is voldoende is dat de man stelt en zo nodig bewijst dat (een deel, in dit geval 19/30ste deel) is gefinancierd uit andere middelen dan uit 'inkomsten' in de betekenis die het verrekenbeding aan dat woord geeft.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e0cb0f39b38b2a9293eacc9144db17138a6bac4f66d205d51eb33cc0f60a82c7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e0cb0f39b38b2a9293eacc9144db17138a6bac4f66d205d51eb33cc0f60a82c7, en de alinea staat in dat document op bytes 25312 tot 26274.