Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 februari 2012

Alinea 17 Parket bij de Hoge Raad 7 februari 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 februari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU6908.

6. De Hoge Raad heeft in de zaak die heeft geleid tot het arrest HR 9 november 2010, LJN BN7727, NJ 2010/615 geoordeeld dat uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens niet voortvloeit dat de ten aanzien van een aangehouden verdachte geformuleerde regel zonder meer ook geldt als het gaat om een niet-aangehouden verdachte. Het betreft dan de regel dat indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, dit in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv oplevert. Een dergelijk vormverzuim dient in de regel, na een daartoe strekkend verweer, te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen, behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8850fa33eac8a8938fcd11e021beeb22b4cbda5ce73cf4ed82c1cc89666d2187. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8850fa33eac8a8938fcd11e021beeb22b4cbda5ce73cf4ed82c1cc89666d2187, en de alinea staat in dat document op bytes 7451 tot 8531.