Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2012
Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU7245.
18. In zo'n geval dringt zich enigszins op dat het niet van de (appel)rechter kan worden gevergd dat deze, geconfronteerd met een aanbod van tegenbewijs, alle ingebrachte stellingen gaat "turven" om na te gaan welke daarvan als voldoende betwist kunnen gelden, welke als voorshands voldoende vaststaand zijn aan te merken, en tenslotte: voor welke overblijvende stellingen tegenbewijs (als ter zake dienend) in aanmerking zou (kunnen) komen. In die constellatie zou men, aan de hand van de hier veronderstelde clausulering van de regels betreffende tegenbewijs, kunnen aannemen dat er wél, althans in enige mate, moet worden aangegeven waar het aanbod van tegenbewijs op ziet. Bij gebreke daarvan is het immers voor de rechter (vrijwel) ondoenlijk om te beoordelen of er relevante stof is die in dit kader voor (tegen)bewijslevering in aanmerking komt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/41fc55d23aa0271cdbd450b1c3ba3a69ba8f5ed0e97a8b06df318c195f18529a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 41fc55d23aa0271cdbd450b1c3ba3a69ba8f5ed0e97a8b06df318c195f18529a, en de alinea staat in dat document op bytes 16260 tot 17127.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/41fc55d23aa0271cdbd450b1c3ba3a69ba8f5ed0e97a8b06df318c195f18529a | shasum -a 256