Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 december 2012

Alinea 378 Parket bij de Hoge Raad 14 december 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 december 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU7264.

8.7.4 Het Voorstel voor een Zesde richtlijn kende een dergelijke bepaling niet. Daarin was alleen (althans voor zover hier van belang) het 'door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed' als levering aangewezen. Ook in de door de Europese Commissie voorgestelde wijzigingen in het voorstel voor een Zesde richtlijn, COM(74) 795 def. van 26 juli 1974 vinden we een bepaling als (thans) artikel 18, lid 1, aanhef en onderdeel c, van de btw-richtlijn niet terug. De achtergrond van de bepaling valt ook anderszins niet te achterhalen. Kennelijk heeft de richtlijngever de lidstaten desgewenst (artikel 18 is een zogenoemde 'kan-bepaling') de mogelijkheid willen geven zeker te stellen dat een goed dat na bedrijfsbeëindiging bij de (voormalig) belastingplichtige of diens rechthebbende(n) achterblijft, daar niet belastingvrij 'genoten' wordt. Het is immers niet evident dat al dit soort gevallen altijd 'gedekt' worden door de (wel verplicht in de nationale regelgeving op te nemen) onttrekking in de zin van artikel 16 van de btw-richtlijn.(62)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/42403cdae9d479622e8379c2f294e642a61a96687db98cc267ba7cd56bd7097b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 42403cdae9d479622e8379c2f294e642a61a96687db98cc267ba7cd56bd7097b, en de alinea staat in dat document op bytes 171782 tot 172862.