Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 december 2012

Alinea 389 Parket bij de Hoge Raad 14 december 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 december 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU7264.

"Een andere fictieve levering vormt de levering die is opgenomen in art. 3, derde lid, onderdeel c, Wet OB 1968 en art. 18, onderdeel c, richtlijn 2006/112/EG. (...) Het is in dit kader van belang vast te stellen dat de dga zijn activiteiten als zodanig niet heeft beëindigd. Er wordt echter sinds 18 oktober 2007 definitief anders tegen hem aangekeken. Vanaf 18 oktober 2007 staat immers vast dat de dga niet meer als btw-ondernemer kan worden aangemerkt. In mijn optiek vloeit uit art. 18, onderdeel c, richtlijn 2006/112/EG voort dat de dga een actieve handeling dient te verrichten (danwel iets dient na te laten) waardoor hij geen economische activiteiten meer verricht. Als er al sprake van zou zijn dat het investeringsgoed tot het btw-ondernemingsvermogen van de dga zou behoren, kan men mijn inziens niet betogen dat er in dat geval sprake is van een levering ex art. 18 richtlijn 2006/112/EG."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/42403cdae9d479622e8379c2f294e642a61a96687db98cc267ba7cd56bd7097b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 42403cdae9d479622e8379c2f294e642a61a96687db98cc267ba7cd56bd7097b, en de alinea staat in dat document op bytes 176588 tot 177505.