Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2012

Alinea 190 Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU7644.

42. In de tweede plaats wordt geklaagd over (de motivering van) het oordeel dat er een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van de verdachte bestond toen een bevel tot aanhouding van de verdachte werd uitgevaardigd. Daartoe wordt in de eerste plaats aangevoerd dat niet juist is dat [getuige 1] nadat hij op 1 augustus 2006 als getuige was gehoord eigener beweging naar verdachte ging. Dat [getuige 1] dat eigener beweging deed heeft het Hof echter niet vastgesteld. Voorts wordt betwist dat verdachte voor [betrokkene 1] een advocaat zou regelen. Het Hof heeft dat vastgesteld op basis van afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken. Waarom die gesprekken de vaststelling van het Hof niet kunnen dragen wordt niet uitgelegd. Ten slotte wordt geklaagd over het oordeel van het Hof dat er geen reden is te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de mededelingen van de officier van justitie. Dit oordeel is, gelet op de door het Hof gebezigde motivering alsmede in aanmerking genomen de hiervoor opgenomen bespreking van de klachten over het oordeel van het Hof over het bestaan van een verdenking jegens verdachte, niet onbegrijpelijk en kan wegens zijn feitelijke aard in cassatie verder niet worden getoetst.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/58a6fa0f10fddd663dd97748f5517dbac3142af532dc3aad72c11d4e583eba91. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 58a6fa0f10fddd663dd97748f5517dbac3142af532dc3aad72c11d4e583eba91, en de alinea staat in dat document op bytes 76238 tot 77469.