Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2012

Alinea 98 Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU7644.

28. Het door het Hof genoemde langdurige tijdsverloop acht ik niet zonder meer toereikend om niet te voorzien in het gebrek in rechtsbijstand van de verdachte. Verdachte zat in voorlopige hechtenis en kon zich dus niet aan de berechting onttrekken. In het kader van een beroep op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM zou dit tijdsverloop voor rekening van de verdachte komen. Welk ander met het tijdsverloop gemoeid belang zou dan zo zwaarwegend moeten zijn dat de zaak moest worden voorgezet hoewel de verdachte na het requisitoir niet meer daadwerkelijk van rechtsbijstand was voorzien? Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 mei 2010(6) valt op te maken dat de agenda van het Hof zou meebrengen dat ingeval van aanhouding de behandeling van de zaak pas halverwege september 2010 zou kunnen worden voortgezet. Ook als dat het geval zou zijn geweest dan blijft nog de vraag waarom verdachtes recht op daadwerkelijke rechtsbijstand zou moeten wijken voor een met het tijdsverloop gemoeid, niet nader gespecificeerd belang.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/58a6fa0f10fddd663dd97748f5517dbac3142af532dc3aad72c11d4e583eba91. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 58a6fa0f10fddd663dd97748f5517dbac3142af532dc3aad72c11d4e583eba91, en de alinea staat in dat document op bytes 42239 tot 43324.