Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2012

Alinea 45 Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU8741.

3.11. De door het hof vastgestelde aard en de redenen van de mededelingen die de getuige [getuige] door de politie zijn gedaan, hebben het hof gebracht tot het oordeel dat het hier geen toezeggingen betreft als bedoeld in het vierde lid van artikel 226g Sv. Ik begrijp 's hofs vaststellingen aldus dat het causale verband tussen het verlenen van de gunst en de af te leggen verklaring ontbrak. Dat oordeel getuigt in het licht van het voorgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in artikel 226g Sv. Bovendien acht ik de vaststellingen die het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd niet onbegrijpelijk. 's Hofs oordeel dat er in dit verband dus geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is daarmee evenmin onbegrijpelijk, terwijl dat oordeel thans in cassatie niet verder toetsbaar is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/98095fec6912360fab26126291bb1f8ddfc8cf137cdd799151b7bd1fb92f51d1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 98095fec6912360fab26126291bb1f8ddfc8cf137cdd799151b7bd1fb92f51d1, en de alinea staat in dat document op bytes 23719 tot 24591.