Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2012

Alinea 30 Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU8746.

6.2. In de overwegingen van het Hof ligt besloten dat de door de officier van justitie gedane vordering tot doorzoeking is gedaan buiten het kader van een gerechtelijk vooronderzoek. Ook het cassatiemiddel gaat daarvan uit. De rechtsvraag die dat middel opwerpt, is derhalve of een ex art. 110 Sv buiten het kader van een gerechtelijk vooronderzoek aan de R-C gedane vordering tot doorzoeking kan worden aangemerkt als een daad van vervolging in de zin van art. 72 Sr. De achterliggende vraag is of de veranderde positie van de R-C in het vooronderzoek - die nauw samenhangt met de marginalisering van het gerechtelijk vooronderzoek - consequenties heeft voor het leerstuk van de verjaring. De bedoelde rechtsontwikkeling heeft tot gevolg gehad dat de vordering bewaring en de vordering gerechtelijk vooronderzoek niet langer de enige manieren zijn waarop de R-C bij het voorbereidend onderzoek kan worden betrokken.(6) Zo kan van de R-C een machtiging worden gevorderd tot toepassing van bepaalde dwangmiddelen (zie bijvoorbeeld art. 126m lid 4 Sv) en tot instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (art. 126 lid 3 Sv).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/136c1ddf5eb55fec3e4d563e0462cf117783075f4350e151137f77011dded9ad. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 136c1ddf5eb55fec3e4d563e0462cf117783075f4350e151137f77011dded9ad, en de alinea staat in dat document op bytes 15606 tot 16751.