Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2012

Alinea 45 Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU8746.

In deze overweging wordt heel in het algemeen gesteld dat de vervolging aanvangt op het moment waarop het OM de strafrechter in de zaak betrekt. De voorbeelden beperken zich daarbij niet tot de klassieke drie (de vordering bewaring(15), de vordering gerechtelijk vooronderzoek en de dagvaarding). Ook de vorderingen ex art. 103 Sv en 126 Sv worden genoemd. Weliswaar heeft het arrest geen betrekking op de verjaring, maar ik zie geen reden waarom ten aanzien van de verjaring anders geoordeeld zou moeten worden. Als er al verschil is, leidt dat niet tot een enger vervolgingsbegrip. Voor het omgekeerde valt meer te zeggen. Volgens art. 72 lid 1 Sr komen ook daden van vervolging in aanmerking die tegen andere verdachten zijn gericht. Als het om de dood van de rechtspersoon gaat, is er wel reden om te eisen dat de aangevangen vervolging tegen de desbetreffende rechtspersoon is gericht. Misschien is dat de reden waarom vorderingen met betrekking tot de toepassing van dwangmiddelen als de telefoontap en de doorzoeking in de weergegeven rechtsoverweging niet als voorbeelden zijn genoemd. Bij deze dwangmiddelen, die dikwijls in een vroeg stadium van het vooronderzoek worden ingezet, is niet altijd duidelijk tegen wie zij zijn gericht. In zoverre gaat het om problematische voorbeelden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/136c1ddf5eb55fec3e4d563e0462cf117783075f4350e151137f77011dded9ad. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 136c1ddf5eb55fec3e4d563e0462cf117783075f4350e151137f77011dded9ad, en de alinea staat in dat document op bytes 28257 tot 29564.