Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2012
Alinea 43 Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV0614.
2.11. Mijns inziens kan een beslissing van de cassatierechter over het rechtskarakter van betalingen via een bankrekening achterwege blijven. De klacht mist feitelijke grondslag: de rechtbank heeft haar beslissing niet gebaseerd op het oordeel dat ING gehouden is uit haar eigen vermogen de omstreden betalingen te verrichten. Het oordeel van de rechtbank, dat het beroep van ING op art. 52 lid 1 Fw niet slaagt, berust op de vaststelling dat niet aan alle vereisten voor toepassing van dat artikel(lid) is voldaan. De verbintenis van de bank tot het doen van deze betalingen is immers eerst ontstaan op het tijdstip waarop BTO de concrete, door ING aanvaarde betalingsopdracht gaf. Op dat tijdstip was BTO, als gevolg van het op diezelfde dag uitgesproken faillissement, niet bevoegd tot het geven van die betalingsopdracht. Of dit laatste oordeel rechtens juist is, is het onderwerp van de tweede klacht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/54ec57dfdbb08840958eec4c8ca8b7569815e9ace6f86570215be346dc9e8e36. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 54ec57dfdbb08840958eec4c8ca8b7569815e9ace6f86570215be346dc9e8e36, en de alinea staat in dat document op bytes 23041 tot 23960.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/54ec57dfdbb08840958eec4c8ca8b7569815e9ace6f86570215be346dc9e8e36 | shasum -a 256