Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2012
Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV0614.
2.13. Volgens Faber is in het arrest van 28 april 2006 teveel betekenis toegekend aan de betalingsopdracht van de rekeninghouder en te weinig aan het op de faillissementsdatum bestaande creditsaldo. Begrijp ik het commentaar goed, dan zou de vordering van de rekeninghouder op de bank moeten worden beschouwd als de actieve zijde van een reeds vóór de faillissementsdatum bestaande alternatieve verbintenis(19): de rekeninghouder kan naar eigen keuze over zijn creditsaldo beschikken door middel van kasopnamen of door middel van een opdracht aan de bank om ten laste van die rekening een betaling aan een derde te doen. Kiest de rekeninghouder voor het laatste, dan zou - in die opvatting - de uitvoering van de betalingsopdracht door de bank neerkomen op het voldoen door de bank aan een reeds langer bestaande verbintenis van haar jegens de rekeninghouder. Bijgevolg zou art. 52 lid 1 Fw hier van toepassing zijn, aldus ook het standpunt van ING.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/54ec57dfdbb08840958eec4c8ca8b7569815e9ace6f86570215be346dc9e8e36. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 54ec57dfdbb08840958eec4c8ca8b7569815e9ace6f86570215be346dc9e8e36, en de alinea staat in dat document op bytes 26538 tot 27502.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/54ec57dfdbb08840958eec4c8ca8b7569815e9ace6f86570215be346dc9e8e36 | shasum -a 256