Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2012

Alinea 62 Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV0614.

2.27. Het argument dat de begunstigden als schuldeiser een voordeel genieten ten opzichte van de overige schuldeisers van BTO waarvoor geen rechtvaardiging bestaat(31), noopt niet tot een ander oordeel. In dit geding staat niet vast dat de bank geen mogelijkheid heeft om het toegewezen bedrag te verhalen op de begunstigden, in welk geval dit voordeel weer teniet gaat(32). Belangrijker is, dat de vermeende bevoordeling inherent is aan de keuze die de wetgever heeft gemaakt bij de afweging van de betrokken belangen. Het moge zijn, dat de bank zichzelf beschouwt (en door sommige auteurs wordt beschouwd) als een onschuldige buitenstaander die te goeder trouw gevolg heeft gegeven aan een betalingsopdracht op een tijdstip waarop zij niet wist noch kon weten dat BTO failliet was, maar daartegenover staat dat ook de gezamenlijke schuldeisers in dit faillissement met betrekking tot deze betalingen zijn te beschouwen als onschuldige buitenstaanders. Hun belang kan meebrengen dat de curator de meest gerede mogelijkheid benut. Het vermeende voordeel is daarom niet ongerechtvaardigd in de rechtsverhouding tussen de curator (in het faillissement van de rekeninghouder) en de bank. De slotsom is dat onderdeel 4 faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/54ec57dfdbb08840958eec4c8ca8b7569815e9ace6f86570215be346dc9e8e36. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 54ec57dfdbb08840958eec4c8ca8b7569815e9ace6f86570215be346dc9e8e36, en de alinea staat in dat document op bytes 39531 tot 40765.