Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 februari 2012
Alinea 84 Parket bij de Hoge Raad 24 februari 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 februari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV0890.
3.4.5 Art. 349a Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling drie jaar bedraagt, terwijl ingevolge art. 356 lid 2 Fw een verbindende slotuitdelingslijst een noodzakelijke voorwaarde is voor het eindigen van de toepassing van de schuldsanering. Deze bepalingen knopen verschillende "eindes" aan de schuldsaneringsregeling. De wettelijke bepalingen dwingen de bewindvoerder ertoe haast te maken met de slotuitdelingslijst. De in art. 349a en 356 lid 2 Fw geregelde eindes kunnen (sterk) uiteenlopen. Niet alleen de rechtsmiddelen tegen de uitspraak en de slotuitdelingslijst beletten dat de schuldsaneringsregeling na het eindvonnis spoedig ten einde komt. Bewindvoerders lijken er soms voor te kiezen om de slotuitdelingslijst nog niet op te maken bijvoorbeeld in verband met mogelijke belastingteruggaven.(26). Zo wordt voorkomen dat een nagekomen bate in de zin van art. 194 Fw aan het zicht van de bewindvoerder wordt onttrokken. Zoals hiervoor bleek, bepaalt art. 194 Fw onder andere dat een eventueel nagekomen bate alsnog uitgedeeld moet worden op de voet van de slotuitdelingslijst. Met de baten in art. 194 Fw worden bedoeld baten die ten tijde van de vereffening nog niet bekend waren maar (latent) wel aanwezig waren.(27) M.i. is een dergelijke handelswijze van de bewindvoerder in strijd met art. 356 Fw. De slotuitdelingslijst dient immers onverwijld opgemaakt te worden. In het geval dat aanleiding heeft gegeven tot deze cassatieprocedure kan niet gezegd worden dat de schuldsaneringsregeling na het eindvonnis spoedig ten einde is gekomen. Op het moment van het openvallen van de nalatenschap van de moeder van [betrokkene] was de slotuitdelingslijst nog niet verbindend verklaard. Dit was vier maanden na het eindvonnis waarbij aan [betrokkene] een schone lei werd verleend. Daar komt bij dat uit de beschikking van de rechtbank van 7 december 2010 blijkt dat ook op dat moment, dus vijftien maanden na het eindvonnis, de schuldsaneringsregeling nog altijd niet was beëindigd. De reden dat de afwikkeling zo lang op zich liet wachten, valt niet uit het dossier af te leiden. Deze praktijk roept de vraag op wat de "toepassing van de schuldsanering" in de zin van art. 295 Fw en 356 lid 2 Fw behelst. Ook dringt bij voorbeeld de vraag zich op of de op de schuldenaar rustende verplichtingen al dan niet "van rechtswege" eindigen na afloop van de in art. 349a Fw genoemde termijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c15bb76528484cdfa121783f6c1938a3982b66b5da5e5f79d298241f5081431c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c15bb76528484cdfa121783f6c1938a3982b66b5da5e5f79d298241f5081431c, en de alinea staat in dat document op bytes 41426 tot 43846.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c15bb76528484cdfa121783f6c1938a3982b66b5da5e5f79d298241f5081431c | shasum -a 256