Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 mei 2012

Alinea 71 Parket bij de Hoge Raad 11 mei 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 mei 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV1031.

2.30. Onderdeel III.3 herhaalt de klacht dat het hof ex tunc had moeten oordelen, d.w.z. dat het hof had moeten onderzoeken of de verwijten van [eiser] aan het adres van [verweerder] destijds voldoende grondslag vonden in het toen voorhanden feitenmateriaal. Een klacht van deze strekking was ook neergelegd in de onderdelen I.3 en I.4, hierboven besproken. In de tweede en derde volzin van rov. 19, waarop onderdeel III.3 betrekking heeft, heeft het hof ook ten aanzien van de termen "crimineel gedrag", "misdrijven" en "bekendstaand crimineel" geoordeeld dat, gelet op de onderbouwing daarvan, deze kwalificaties niet door [eiser] hadden mogen worden gebruikt. Ook bij dat oordeel heeft het hof mede gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het tijdstip waarop zij werden geuit en het onnodig grievende karakter ervan (rov. 20). Uit dit een en ander volgt dat het oordeel niet berust op een miskenning van het relevante gezichtspunt van de mate waarin ten tijde van de publikatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal, maar op een waardering van de feiten. Middel III faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d36f8eb515cfbee06db683f41301174cbf9517c6e885fda8c7df95251b0a4167. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d36f8eb515cfbee06db683f41301174cbf9517c6e885fda8c7df95251b0a4167, en de alinea staat in dat document op bytes 37745 tot 38876.