Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2012

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV1749.

2.4.1 Vanaf het ogenblik van de huwelijksvoltrekking ontstaat, voor zover bij huwelijkse voorwaarden niet anders is bepaald, tussen de echtelieden een algehele gemeenschap van goederen (artikel 1:93). Die gemeenschap omvat mede alle - dus ook de voorhuwelijkse - schulden van de echtelieden (artikel 1:94 lid 2 BW), behoudens voor zover de bijzondere verknochtheid van een schuld aan een echtgenoot zich daartegen verzet (artikel 1:94 lid 3 BW). Zolang de huwelijksgemeenschap niet is ontbonden, brengt het deel uitmaken van een schuld van die gemeenschap mee, althans tussen de echtelieden onderling, dat die schuld door de gemeenschap, dus door de echtelieden tezamen, moet worden gedragen. Heeft bijvoorbeeld een echtgenoot een gemeenschapsschuld uit privé-middelen voldaan, dan heeft hij hiervoor recht op vergoeding uit goederen van de gemeenschap (artikel 1:95 lid 2 BW). Raakt de algehele huwelijksgemeenschap ontbonden, zoals het geval is bij echtscheiding, dan hebben de echtelieden een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap (artikel 1:100 lid 1 BW). Voor wat de schulden betreft, betekent dit dat ieder van de echtelieden ten opzichte van de ander gehouden is de helft van de schulden te dragen. Dit laatste geldt niet voor schulden die wegens verknochtheid buiten de gemeenschap en daarmee buiten de voor de gemeenschap geldende regels vallen. Maar ook buiten het geval van verknochtheid kunnen de redelijkheid en billijkheid, die de verhouding tussen deelgenoten van een gemeenschap beheersen (artikel 3:166 lid 3 BW), meebrengen dat een schuld, ook al betreft het op zichzelf een gemeenschapsschuld, aan een van de (ex-)echtgenoten wordt toebedeeld en dat de andere (ex-)echtgenoot ten aanzien van die schuld geen of een geringere draagplicht heeft. Een goed voorbeeld hiervan levert HR 25 juni 1993, LJN ZC1013, NJ 1994, 31, m.nt. WMK op. Een belasting- en premieschuld ter zake van door de man aan de vrouw bij wege van voorlopige voorziening betaalde alimentatie wordt niet aangemerkt als een schuld, die wegens verknochtheid buiten de nog niet ontbonden huwelijksgemeenschap valt. Maar: "Dat tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden in beginsel door beide echtgenoten gelijkelijk gedragen worden, staat evenwel niet eraan in de weg dat een van de echtgenoten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehouden kan zijn bepaalde schulden uit de aan deze ter beschikking staande middelen te voldoen, en dat, indien deze echtgenoot dit bij het einde van de gemeenschap niet heeft gedaan, deze schulden niet in het kader van de verdeling van de gemeenschap door middel van verrekening voor de helft ten laste van de andere echtgenoot kunnen worden gebracht. Of een dergelijke gehoudenheid bestaat, hangt in beginsel af van de omstandigheden van het geval. Maar als het, zoals hier, gaat om belastingen en premies over een bij wijze van voorlopige voorziening aan een echtgenoot toegekende bijdrage in zijn of haar levensonderhoud, behoort als uitgangspunt te worden aangenomen dat deze schulden door deze echtgenoot uit die bijdrage moet worden voldaan. Een ander uitgangspunt zou immers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0bb41fe6454c3f06e031800eb235fa6481f360109ce6107b3fff6e196d4df6f8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0bb41fe6454c3f06e031800eb235fa6481f360109ce6107b3fff6e196d4df6f8, en de alinea staat in dat document op bytes 17898 tot 21109.