Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2012
Alinea 44 Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV1749.
2.7 De klacht komt gegrond voor, meer in het bijzonder voor zover de klacht zich richt tegen het - zoals hier verondersteld - impliciete oordeel van het hof dat, ondanks dat wat door de vrouw in het kader van grief IV is aangevoerd, de redelijkheid en billijkheid zich er niet tegen verzetten dat de vrouw voor de helft een draagplicht ten aanzien van de schulden heeft. Weliswaar kan niet spoedig op grond van de redelijkheid en billijkheid tot afwezigheid van die draagplicht worden geconcludeerd, maar dat neemt niet weg dat bij de bepaling of er sprake is van zodanige omstandigheden dat de redelijkheid en billijkheid zich tegen het aannemen van een draagplicht verzetten, van belang kan zijn wanneer en hoe de schulden zijn ontstaan en vooral hoe de in verband met de schulden verkregen gelden zijn besteed. De man heeft wel op de bij de rechtbank gehouden terechtzitting aangevoerd dat de schulden voor gemeenschappelijke uitgaven, waaronder de bruiloft, zijn aangegaan, maar van de juistheid van die stelling kan niet worden uitgegaan. De stelling is door de vrouw gemotiveerd betwist. Voor wat de besteding van de gelden betreft, het zou tegenover de vrouw bepaald niet redelijk zijn om haar voor de helft de kredietschulden van de man te laten dragen, indien de man de opgenomen gelden heeft benut voor aankoop van zaken die door zijn zwijgen buiten de verdeling blijven, of indien hij de gelden op verzoek van bijvoorbeeld familieleden heeft opgenomen en die familieleden tegenover hem gehouden zijn om hem in staat te stellen de leenschulden af te lossen. Dit krijgt nog een extra accent indien juist is, zoals door de vrouw gesteld en door de rechtbank en het hof in het midden gelaten, dat de man tegenover de vrouw over de schulden heeft gezwegen bij het aangaan van het huwelijk, dat niet of nauwelijks tot een samenleving of gemeenschappelijke huishouding heeft geleid. Kortom, nu de vrouw in het kader van grief IV vragen had opgeworpen over wanneer en hoe de door de man opgevoerde schulden zijn ontstaan en ook over hoe de in verband met de schulden verkregen gelden zijn besteed en dit relevante vragen zijn, had het hof in ieder geval over het vraagpunt of de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen het aanvaarden van een draagplicht van de vrouw niet een oordeel moeten geven dan na kenbaar op de door de vrouw in het kader van grief IV opgeworpen vragen te zijn ingegaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0bb41fe6454c3f06e031800eb235fa6481f360109ce6107b3fff6e196d4df6f8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0bb41fe6454c3f06e031800eb235fa6481f360109ce6107b3fff6e196d4df6f8, en de alinea staat in dat document op bytes 26099 tot 28517.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0bb41fe6454c3f06e031800eb235fa6481f360109ce6107b3fff6e196d4df6f8 | shasum -a 256