Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 maart 2012

Alinea 73 Parket bij de Hoge Raad 16 maart 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV1771.

3.12 Deze klacht faalt. Het bestreden oordeel berust op een aan het hof als feitenrechter voorbehouden waardering en afweging van getuigenbewijs welke niet onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoeft. Met betrekking tot het gesprek van 6 december 2002 heeft het hof, in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk, in rov. 4.8 vastgesteld dat volgens de verklaring van directeur [betrokkene 1] zelf de kwestie van de entreeruimte niet specifiek aan de orde is gekomen.(21) Dat van de kant van [eiseres] tijdens een bezichtiging voorafgaand aan de koop is opgemerkt dat het vreemd is dat voor de trap een bouwvergunning is verleend, noopte het hof evenmin tot een ander oordeel. Met betrekking tot de in de leveringsakte vermelde partijbedoeling geldt mutatis mutandis hetgeen is opgemerkt aan het slot van alinea 3.9: de klacht miskent dat deze in het onderhavige stadium van tegenbewijslevering niet (meer) relevant is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/044ceffc712ec845454c3e469cf7867e4215c156377a023b9c04d5edbb199554. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 044ceffc712ec845454c3e469cf7867e4215c156377a023b9c04d5edbb199554, en de alinea staat in dat document op bytes 35523 tot 36471.