Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 april 2012
Alinea 58 Parket bij de Hoge Raad 27 april 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV5569.
2.7.2 Wat het TNO-rapport van 25 april 2006 betreft, hiervoor geldt ook dat niet begrijpelijk is dat het hof in rov. 2.6 oordeelt dat [eiser] c.s onvoldoende gemotiveerd duidelijk hebben gemaakt op of omstreeks welk moment zij door middel van dit stuk gebreken in de verbouw van de boerderij onder de aandacht van [verweerder] hebben gebracht. Terecht wordt aangevoerd dat in de memorie van grieven wordt opgemerkt - zie sub 3 en 16 -, dat op 16 oktober 2006 bij het hof een verzoekschrift met producties, waaronder het TNO-rapport van 25 april, is ingediend met het verzoek om een voorlopig deskundigenonderzoek te gelasten. Het verzoekschrift is als productie 1 bij de memorie van grieven gevoegd. Sub 4 van de memorie van grieven wordt naar de beschikking van 31 mei 2007 van het hof, houdende de toewijzing van het verzoek, verwezen. De beschikking is als productie 2 bij de memorie van grieven gevoegd. In de beschikking wordt vermeld op blz. 2 dat de griffier van het hof [verweerder] via een faxbrief van 13 december 2006 voor de mondelinge behandeling heeft opgeroepen en op blz. 3, sub 2.1, dat na een brief van 19 januari 2007 van de griffier aan de procureur van [verweerder] in de vorige instanties de gemachtigde van [verweerder] de griffier op 7 februari 2007 telefonisch heeft laten weten zich te willen beraden op het al dan niet voeren van verweer. Op 21 februari 2007 heeft de gemachtigde aan de griffier bericht dat [verweerder] zich refereert aan het oordeel van het hof. Het is niet goed voorstelbaar dat de gemachtigde heeft gehandeld zonder kennis te dragen van het verzoekschrift. Sub 12 van de memorie van antwoord in appel van [verweerder], waar de afwezigheid van [verweerder] op de mondelinge behandeling van het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht wordt toegelicht, wordt ook niet gemeld dat die afwezigheid zijn verklaring vindt in onbekendheid met het verzoek. Opgemerkt wordt dat de toenmalige raadsman van [verweerder] te kennen had gegeven dat verweer voeren totaal zinloos was. Kortom, uit wat [eiser] c.s. in de memorie van grieven - met stukken onderbouwd - hebben aangevoerd omtrent het verzoek aan het hof om een voorlopig deskundigenbericht te gelasten enerzijds en de reactie daarop van [verweerder] in de memorie van antwoord anderzijds, valt boven redelijke twijfel af te leiden dat aan de kant van [verweerder] men op enig moment tussen 16 oktober 2006 en 21 februari 2007 de beschikking heeft gekregen over het verzoekschrift houdende het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht met als bijlage 3 daarbij het TNO-rapport. Dat verzoekschrift met bijlage 3 bevindt zich bovendien ook in het door [verweerder] overgelegde procesdossier. In het licht van een en ander kan niet in stand blijven de vaststelling in rov. 2.6 dat ook de in het TNO-rapport aan de orde zijnde gebreken voor [verweerder] pas op 28 augustus 2008 kenbaar zijn geworden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ecc21d47d9a1599f115b509bbb30ea37d72ad10c1c992dec7e76a8a6523efc8f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ecc21d47d9a1599f115b509bbb30ea37d72ad10c1c992dec7e76a8a6523efc8f, en de alinea staat in dat document op bytes 26152 tot 29062.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ecc21d47d9a1599f115b509bbb30ea37d72ad10c1c992dec7e76a8a6523efc8f | shasum -a 256