Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 april 2012

Alinea 56 Parket bij de Hoge Raad 6 april 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV6727.

Zie ook Cahen (Mon. Nieuw BW B-57, 2004, nr. 11.1), die betoogt dat aan de eis dat het recht voor overgang vatbaar is, de prealabele vraag voorafgaat of de vordering om de een of andere reden wellicht een persoonlijk karakter draagt. Dat kan zijn oorzaak vinden in een daaromtrent gemaakt beding of uit de aard van de overeenkomst voortvloeien. Cahen stelt dat een contractant die alleen aan zijn wederpartij een bepaald recht wil verschaffen, er verstandig aan doet de kwalitatieve overgang bij voorbaat uit te sluiten. Bij een schriftelijk vastgelegd recht zal de uitsluiting ook uit het geschrift moeten blijken teneinde te vermijden dat een derde te goeder trouw zich beroept op art. 3:36 BW. De kans op zo'n beroep is met name groot als het gaat om een recht dat naar verkeersopvattingen zich leent tot kwalitatieve overgang. Rechten die met een goed verbonden zijn en geen persoonlijk karakter dragen lenen zich bij overdracht van het goed waarmee ze verbonden zijn tot kwalitatieve overgang en gaan ook daadwerkelijk mee over indien de leverancier geen en de verwerver van het goed wel belang bij dat recht heeft. Aldus Cahen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1469cd8777d6e98ebbdb73788216ffe52809022261a42d9dd44932ac32fbee73. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1469cd8777d6e98ebbdb73788216ffe52809022261a42d9dd44932ac32fbee73, en de alinea staat in dat document op bytes 34473 tot 35619.