Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2012

Alinea 21 Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV7679.

2.2. Het lijkt nuttig al terstond een onderscheid te maken tussen het in art. 19 Rv en in art. 6 lid 1 EVRM besloten beginsel van hoor en wederhoor en anderzijds de hoorplicht in de Wet Bopz. In een civiele rekestprocedure stelt de rechter de partijen over en weer in de gelegenheid hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht (een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit); zie art. 19 Rv. Nadat de rechter een datum heeft bepaald voor de mondelinge behandeling beveelt hij de oproeping van de verzoeker en de in het verzoekschrift (hier: in het verzoekschrift van de officier van justitie) genoemde belanghebbenden; zie art. 279 Rv. De griffier zorgt voor de oproeping. In deze zaak is niet geklaagd dat de oproeping de betrokkene niet zou hebben bereikt. Betrokkene is, bij monde van haar advocaat, in de gelegenheid gesteld haar standpunt naar voren te brengen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aa07c332b1881285ad4b5960ce9bf4f8d175ef0181528586c178411bdf9295e9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aa07c332b1881285ad4b5960ce9bf4f8d175ef0181528586c178411bdf9295e9, en de alinea staat in dat document op bytes 9092 tot 10136.