Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 april 2012
Alinea 74 Parket bij de Hoge Raad 6 april 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV7828.
4.5 De klachten in onderdeel 2.1, die betrekking hebben op de afwijzing van de in eerste aanleg gemaakte proceskosten in rov. 11, zijn gedeeltelijk gegrond. De uitleg van de gedingstukken is voorbehouden aan het hof. Dit geldt ook voor de uitleg van het verweer dat Duka in de CvD in reconventie heeft gevoerd tegen de vordering van Achmea, zoals verwoord in de vorige alinea. Dat het hof hieruit heeft afgeleid dat Duka zich erop heeft beroepen dat [betrokkene 1] niet met Duka kan worden vereenzelvigd dan wel dat daden van [betrokkene 1] niet zonder meer aan haar kunnen worden toegerekend, acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof is ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, nu niet is gebleken dat Duka dit verweer in hoger beroep heeft prijsgegeven.(16) Echter, de eisvermeerdering en het verweer van Duka daartegen kwam aan de orde in de laatste schriftelijke ronde in eerste aanleg, waardoor Achmea niet meer in de gelegenheid was zich daarover uit te laten. Bij die stand van zaken kon van Achmea niet worden verwacht dat zij een akte ter rolle zou nemen of pleidooi zou vragen, enkel om te voorkomen dat de stelling van Duka vanwege het niet daarop reageren door Achmea als vaststaand zou worden aangemerkt.(17) De rechtbank achtte het verweer van Duka kennelijk niet steekhoudend, zodat er op dat moment ook geen reden was om Achmea de gelegenheid te bieden zich daarover uit te laten. Gezien de kennelijke verwerping van Duka's verweer in eerste aanleg was er voor partijen ook geen noodzaak om daar in hoger beroep specifiek op in te gaan, terwijl het hof wel gehouden was om dat verweer bij zijn beoordeling van de grief te betrekken. Nu het hof, anders dan de rechtbank, Duka's verweer kennelijk wel steekhoudend achtte en aan zijn oordeel ten grondslag wilde leggen, diende het hof partijen daarvan op de hoogte te stellen en, meer in het bijzonder, Achmea in de gelegenheid te stellen zich over dat verweer uit te laten, aangezien zij daartoe nog niet eerder de gelegenheid had. Door dit niet te doen heeft het hof het bepaalde in art. 19 Rv miskend, dan wel is 's hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4d57b2147123bd4fb6f836d59e7337436f9a6a51f6e0d1df82a6a717b9c434d6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4d57b2147123bd4fb6f836d59e7337436f9a6a51f6e0d1df82a6a717b9c434d6, en de alinea staat in dat document op bytes 33181 tot 35325.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4d57b2147123bd4fb6f836d59e7337436f9a6a51f6e0d1df82a6a717b9c434d6 | shasum -a 256