Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 september 2012

Alinea 75 Parket bij de Hoge Raad 14 september 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 september 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV8952.

5.1.6 Het tijdstip waarop kan worden aangenomen dat de vergoeding 'niet is en niet zal worden ontvangen' in de zin van artikel 29, lid 1, van de Wet, is, naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, het tijdstip waarop redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voldoening door de schuldenaar achterwege zal blijven, waarbij de crediteur enige beoordelingsvrijheid heeft om dat tijdstip vast te stellen. Wel dient een verzoek om teruggaaf uiterlijk te worden gevraagd bij de aangifte over het eerste tijdvak waarin betaling van de vergoeding in rechte niet meer kan worden gevorderd. Ik verwijs naar de arresten van de Hoge Raad van 4 september 1991, nr. 27161, BNB 1991/315 m.nt. Reugebrink, en van 16 oktober 2009, nr. 08/00062, LJN BK0274, BNB 2010/208 m.nt. Van Kesteren. In de onderhavige zaak is in cassatie niet in geschil dat het door belanghebbende ingediende verzoek om teruggaaf qua 'timing' correct was. Ik ga op het tijdstip waarop een verzoek ex artikel 29, lid 1, van de Wet moet worden gedaan, dan ook verder niet in.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/819e4ec2b07b95db4dbce365d8df5ad95c9c0fb6292abdd51dfef1aac240bd60. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 819e4ec2b07b95db4dbce365d8df5ad95c9c0fb6292abdd51dfef1aac240bd60, en de alinea staat in dat document op bytes 26286 tot 27333.