Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2012

Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW1519.

2.8 Zoals hiervoor in 2.3 al opgemerkt, gaat het in de met cassatiemiddel I bestreden rov. 4.10.2 en 4.10.3 om de vraag of er gesproken kan worden van geestelijk letsel, meer in het bijzonder van een angststoornis, bij [eiser] in de zin van artikel 6:106 lid 1, sub b, BW. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend: de angststoornis is niet aangetoond (rov. 4.10.2) en ook niet de aanwezigheid meer in het algemeen van een geestelijk letsel, nu niet gesteld of gebleken is dat bij [eiser] meer aan de hand is geweest dan een psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen (rov. 4.10.3). Het antwoord van het hof komt hierop neer dat de door [eiser] gestelde immateriële schade rechtens niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat niet is gebleken van een geestelijk letsel dat een aantasting in persoon vormt als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW. Indien dat oordeel stand houdt, impliceert het dat [eiser] de mogelijkheid van voor vergoeding in aanmerking komende schade niet aannemelijk heeft gemaakt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/78a83faf746e2b621d03ef75ad65452a143e449a01fb09d693c6c348cceecc55. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 78a83faf746e2b621d03ef75ad65452a143e449a01fb09d693c6c348cceecc55, en de alinea staat in dat document op bytes 15476 tot 16502.