Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2012

Alinea 44 Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW1519.

2.15 Deze klacht kan, naar het voorkomt, om de volgende reden niet slagen. Om voor een vergoeding voor immateriële schade wegens aantasting in persoon in aanmerking te kunnen komen moet in ieder geval mede zijn gebleken dat immateriële schade is geleden waarvoor de wet een billijke vergoeding toelaat. Hiervoor zijn van belang zowel de aard van de geleden schade (pijn, smart, gederfde levensvreugd, gekrenkt (rechts)gevoel e.d. en de bron van een en ander) als ook de mate waarin die schade is/wordt geleden. Dit betekent dat de toewijsbaarheid van een vordering tot vergoeding van immateriële schade sterk afhangt van wat ten aanzien van de schade is aangevoerd. Met de omstandigheden die in onderdeel II.1.2 worden genoemd hebben, wordt wel aangegeven wat er op 9 oktober 2004 is voorgevallen, maar niet, althans niet met voldoende precieze, welke immateriële schade voor [eiser] uit dat voorval is voortgevloeid. Anders gezegd, genoemde omstandigheden bieden een onvoldoende grondslag voor het beoordelen of aan [eiser] een vergoeding voor immateriële schade toekomt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/78a83faf746e2b621d03ef75ad65452a143e449a01fb09d693c6c348cceecc55. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 78a83faf746e2b621d03ef75ad65452a143e449a01fb09d693c6c348cceecc55, en de alinea staat in dat document op bytes 20601 tot 21691.