Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2012

Alinea 130 Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 juni 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW1981.

3.18 Met betrekking tot de stelling in het voorliggende onderdeel dat de fiscale rechter inmiddels tot in hoogste instantie heeft beslist dat Melfund geen verliezen in verrekening kan brengen, merk ik nog het volgende op. Namens Melfin is een belastingrechtelijke procedure gevoerd met betrekking tot de over het jaar 1999 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting. De in die procedure centraal staande vraag of de liquidatieverliezen van Melfin konden worden verrekend met later gegenereerde winsten, is door het hof Arnhem bij arrest van 15 juli 2008, nr. 05/00224 ontkennend beantwoord. Het tegen deze uitspraak gerichte cassatieberoep is door de Belastingkamer van de Hoge Raad bij arrest van 26 februari 2010, 08/03581 verworpen. In de onderhavige cassatieprocedure wordt niet (goed) duidelijk (gemaakt) wat de betekenis van de uitkomst van de belastingrechtelijke procedure is voor de onderhavige kwestie, laat staan dat zich op dit punt een debat heeft ontsponnen. Het hof heeft - zoals hiervoor bleek, in cassatie onvoldoende bestreden - geoordeeld dat het oordeel van de fiscale rechter niet terzake doet, aangezien voor de vaststelling van de aanvullende koopprijs (alleen) de inhoud van het fiscale compromis bepalend is en dat Wagram is benadeeld door het fiscale compromis. Het hof heeft geoordeeld, althans zo begrijp ik de betreffende rechtsoverweging, dat Melfund de mogelijkheid tot verrekening niet gratis en voor niets had hoeven weg te geven, zelfs ingeval - voeg ik er zelf aan toe - er waarschijnlijk rechtens geen mogelijkheid tot verrekening bestond. Wagram had dan ook beter af kunnen zijn, ingeval zij - met oog op de verdediging van haar belangen - tijdig betrokken was bij de totstandkoming van het fiscale compromis. Tegen deze achtergrond zie ik geen noodzaak, en gaat het ook de taak van de cassatierechter te buiten om in de fiscale procedure te graven naar argumenten die de door het hof in de civiele procedure aan art. 4 gegeven toepassing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zouden kunnen maken. Een dergelijk rechterlijk "activisme" zou ook niet goed te rijmen zijn met het beginsel van hoor en wederhoor, aangezien dat voor Wagram - die zich op dit punt niet met (deugdelijke) klachten geconfronteerd heeft gezien en zich op dit punt (dan ook) in stilzwijgen heeft gehuld - als een verrassing zou komen. In het licht van deze omstandigheden kan het oordeel van de fiscale rechter volgens mij niet tot cassatie leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9a101c215a4f386842a83c13b6f5f176e99e5870c6d1592324d79eaac38bfe25. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9a101c215a4f386842a83c13b6f5f176e99e5870c6d1592324d79eaac38bfe25, en de alinea staat in dat document op bytes 63323 tot 65818.