Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 april 2012
Alinea 102 Parket bij de Hoge Raad 13 april 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW1999.
2.25 Ten overvloede merk ik nog het volgende op over de vraag of in het onderhavige geval een alternatieve rechtsgang heeft bestaan. Zoals ik hierboven in 2.13 heb aangegeven, is in de 'Agreement on the status of UNPROFOR' van 15 mei 1993 in art. VII, § 48, voorzien in een wijze van geschillenbeslechting. In de feitelijke instanties hebben de Stichting c.s. betoogd dat deze Overeenkomst in feite geen reële mogelijkheid biedt om de VN aan te spreken.(35) De Staat heeft deze stellingen onvoldoende weersproken, zodat het hof in rov. 5.11 heeft overwogen dat daarom tussen partijen vaststaat dat de VN geen regeling heeft getroffen voor de beslechting van geschillen van privaatrechtelijke aard. Deze vaststelling (in cassatie onbestreden) geldt tussen de Stichting c.s. en de Staat, maar zij geldt naar mijn mening niet ten opzichte van de VN. De VN is immers in de procedure niet verschenen, de Staat is door het enkele feit samen met de VN te zijn gedagvaard nog geen partij geworden in het geding van de Stichting c.s. tegen de VN (rov. 2.4) en de Staat is uiteindelijk door het hof toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van de (niet-verschenen) VN.(36) Het hof heeft het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 juli 2008 bekrachtigd, waarin de onbevoegdheid is uitgesproken tot kennisneming van de vordering tegen de VN. Er is geen rechtsregel die bepaalt dat de proceshouding en de stellingen van de gevoegde partij worden toegerekend aan de partij aan wier zijde de gevoegde partij zich heeft geschaard.(37) Ik meen dan ook dat de hierboven vermelde vaststelling niet geldt ten aanzien van de VN. Daaruit volgt dat geconstateerd moet worden dat de VN in de genoemde Overeenkomst van 15 mei 1993 in een alternatieve wijze van geschillenbeslechting heeft voorzien, nog daargelaten de vraag of de nabestaanden van de slachtoffers van de val van de enclave Srebrenica in de omstandigheden van het concrete geval voldoende gelegenheid hebben gehad deze alternatieve rechtsgang te benutten.(38) Uit het arrest van het EHRM inzake Waite and Kennedy volgt dat een interne rechtsgang kan worden aanvaard met het oog op de vraag of daarmee het recht op toegang tot de rechter in de zin van art. 6 lid 1 EVRM is gewaarborgd. Naar mijn oordeel kan ook hierop het middel stranden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cbcafe441abd7455c67e8ace73be6843e5e86dc988a3c8246f49fc8bdaa50625. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cbcafe441abd7455c67e8ace73be6843e5e86dc988a3c8246f49fc8bdaa50625, en de alinea staat in dat document op bytes 48566 tot 50869.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cbcafe441abd7455c67e8ace73be6843e5e86dc988a3c8246f49fc8bdaa50625 | shasum -a 256