Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2012
Alinea 75 Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 mei 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW4812.
2.6 De bevoegdheid tot invordering bij dwangbevel (in wezen de bevoegdheid van het bestuursorgaan om zelf een executoriale titel met betrekking tot de hem toekomende geldsom te creëren; zie art. 5:26 lid 2 (oud) Awb) dient op de wet te berusten. Voor zover op grond van het toepasselijke overgangsrecht(10) de Awb, zoals in casu, in haar tot 1 juli 2009 geldende versie van toepassing is, wordt de wettelijke basis voor invordering van aan de toepassing van bestuursdwang verbonden kosten door art. 5:26 lid 1 (oud) Awb(11) geboden. Naar luid van die bepaling kan het bestuursorgaan dat bestuursdwang heeft toegepast de aan die toepassing verbonden kosten, verhoogd met de kosten van invordering, bij dwangbevel van de overtreder invorderen. Naar mijn mening verzet het legaliteitsbeginsel zich ertegen aan te nemen dat onder vigeur van art. 5:26 lid 1 (oud) Awb een dwangbevel ook kon worden uitgevaardigd tegen een persoon die niet als overtreder in de zin van die bepaling kon worden aangemerkt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/96064dab65bde3b8b1cc6361bd638d83d859f26c15fb82d96201492f52fd88f7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 96064dab65bde3b8b1cc6361bd638d83d859f26c15fb82d96201492f52fd88f7, en de alinea staat in dat document op bytes 36897 tot 37910.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/96064dab65bde3b8b1cc6361bd638d83d859f26c15fb82d96201492f52fd88f7 | shasum -a 256