Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2012

Alinea 151 Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW4989.

Ter beantwoording van laatstgenoemde vraag heeft het hof onder verwijzing naar art. 3:246 lid 1 BW geoordeeld dat het medegedeelde pandrecht tot gevolg had dat uitsluitend Ohra inningsbevoegd was ten aanzien van de vordering van [verweerder 1] op de Stichting en aldus de aandelen van de Stichting kon opeisen en dat [verweerder 1] hierdoor niet vrijelijk over (de vordering in) aandelen kon beschikken. Het hof heeft voorts vastgesteld dat het pandrecht strekte tot zekerheid voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van [verweerder 1] uit hoofde van de overeenkomst en dat het van rechtswege kwam te vervallen indien de vordering tot zekerheid waarvoor het strekte, tenietging, zoals het geval zou zijn wanneer [verweerder 1] de (aan Ohra) verschuldigde koopprijs en rente volledig had betaald (rov. 4.15). Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat artikel 6 en artikel 9 van de overeenkomst Ohra de bevoegdheid gaven om in de daar genoemde gevallen - waarin nog geen volledige betaling heeft plaatsgevonden - namens [verweerder 1] de aandelen, althans aandelen met het beloop van diens vordering, te verkopen en dat in die gevallen Ohra - en niet [verweerder 1] - over de (vordering in de) aandelen kon beschikken totdat de koopprijs en rente geheel waren voldaan (rov. 4.16). Het hof is tot de slotsom gekomen dat de openbare verpanding van de vordering van [verweerder 1] op de Stichting in wezen hetzelfde gevolg had als levering van (de vordering in) de aandelen onder de opschortende voorwaarde van volledige betaling van koopprijs en rente zou hebben gehad indien zo'n voorwaarde zou zijn overeengekomen. In beide gevallen kon [verweerder 1] immers, aldus het hof, pas vrijelijk - naar eigen inzicht en goeddunken - over (de vordering in) aandelen beschikken na volledige betaling van de door hem verschuldigde bedragen. Het hof heeft geoordeeld dat hierbij geen betekenisvol verschil maakt dat sprake is van een openbaar pandrecht in plaats van levering onder opschortende voorwaarde doordat [verweerder 1]'s rechten in dezelfde mate werden beknot en dat de overeenkomst dezelfde strekking had als waren partijen overeengekomen dat aan [verweerder 1] werd geleverd onder opschortende voorwaarde van volledige betaling. Het heeft overwogen dat die strekking van de overeenkomst wordt onderstreept door het bepaalde in de artikel 6 en artikel 9 van de overeenkomst. 's Hofs oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a249c4e324fc34e0ede6f7609d29520fe1790642ce10cb645a5f73f2a6ee9922. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a249c4e324fc34e0ede6f7609d29520fe1790642ce10cb645a5f73f2a6ee9922, en de alinea staat in dat document op bytes 115470 tot 117955.