Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2012
Alinea 42 Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW4989.
4.16 De verpanding van de vordering van [verweerder 1] aan Ohra en de mededeling hiervan aan de Stichting hadden in wezen hetzelfde gevolg als levering van (de vordering in) de aandelen onder de opschortende voorwaarde van volledige betaling van de verschuldigde koopprijs en rente zou hebben gehad, indien zo'n voorwaarde zou zijn overeengekomen. In beide gevallen immers kon [verweerder 1] pas vrijelijk - naar eigen inzicht en goeddunken - over (de vordering in) de aandelen beschikken na volledige betaling van de door hem verschuldigde bedragen, derhalve pas na de betaling van de slottermijn, mits ook de eerdere termijnbedragen waren voldaan. Dat sprake is geweest van een medegedeeld pandrecht en niet van levering onder een opschortende voorwaarde, maakt hierbij geen betekenisvol verschil: [verweerder 1]'s rechten werden in dezelfde mate beknot. Uit de artikelen 11, 12.a en 12.b van de overeenkomst volgt daarom dat deze dezelfde strekking had als waren partijen overeengekomen dat de aandelen, respectievelijk de daarin luidende vordering, aan [verweerder 1] werden geleverd onder de opschortende voorwaarde van volledige betaling van de koopprijs en rente. Een zodanige strekking wordt verder onderstreept door de onder 4.14 genoemde artikelen 6 en 9 van de overeenkomst, waarbij Ohra heeft bedongen dat zij in de daar bedoelde gevallen - waarin nog geen volledige betaling heeft plaatsgevonden - namens [verweerder 1] de aandelen, althans aandelen overeenkomend met het beloop van diens vordering, mocht verkopen: in die gevallen kon immers Ohra, en niet [verweerder 1], over (de vordering in) de aandelen beschikken totdat de koopprijs en rente geheel waren voldaan, zoals ook het geval zou zijn als levering onder de opschortende voorwaarde van volledige betaling was overeengekomen. De overeenkomst heeft dus de strekking van een overeenkomst van huurkoop, ook al bedient zij zich van een andere vorm dan levering onder een opschortende voorwaarde om het hierboven beschreven gevolg te bereiken en ook al is zij onder een andere benaming dan huurkoop aangegaan. Het voorgaande brengt mee dat de overeenkomst op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 7A:1576h BW - waarop [verweerder 1] en [verweerster 2] in de memorie van antwoord (op bladzijden 3-4) mede een beroep hebben gedaan - als een overeenkomst van huurkoop kan worden aangemerkt. De toestemming die [verweerder 1] op grond van artikel 1:88, eerste lid aanhef en onder d, BW voor het aangaan van de overeenkomst van [verweerster 2] behoefde als deze op dat tijdstip zijn echtgenote was, moest derhalve - naar volgt uit het onder 4.13 overwogene - schriftelijk worden verleend."
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a249c4e324fc34e0ede6f7609d29520fe1790642ce10cb645a5f73f2a6ee9922. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a249c4e324fc34e0ede6f7609d29520fe1790642ce10cb645a5f73f2a6ee9922, en de alinea staat in dat document op bytes 29606 tot 32288.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a249c4e324fc34e0ede6f7609d29520fe1790642ce10cb645a5f73f2a6ee9922 | shasum -a 256