Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2012

Alinea 252 Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW5132.

6.7. Ter terechtzitting van 16 juli 2010 heeft een der advocaten erop gewezen dat de getuige [medeverdachte 8] zich wellicht in detentie bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst van Syrië in Damascus zou bevinden. Het OM zou de opdracht moeten krijgen om een rechtshulpverzoek aan Syrië te richten. De AG heeft daarop medegedeeld dat het OM niet beschikt over een gegeven waardoor deze [medeverdachte 8] zou kunnen worden getraceerd. Rechtshulpverzoeken aan Syrië hebben geen resultaat gehad en de internationale signalering van [medeverdachte 8] heeft evenmin iets opgeleverd. Ook hier heeft het hof naar mijn mening tot het oordeel kunnen komen dat onaannemelijk is dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting in Nederland zou willen en kunnen verschijnen. Het hof heeft bij het vormen van zijn oordeel klaarblijkelijk acht geslagen op deze mededelingen van de AG en is niet, zoals de steller van het middel wil doen geloven, enkel uitgegaan van gegevens van 2007.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5b1d4e2f2b3ffd4f495beaab8915a52a573e680b3d0c9c8aae0ffe35bdbe8433. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5b1d4e2f2b3ffd4f495beaab8915a52a573e680b3d0c9c8aae0ffe35bdbe8433, en de alinea staat in dat document op bytes 85675 tot 86678.