Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2012

Alinea 35 Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW6674.

4.10. Ik begin met de eerste mogelijke lezing van 's Hofs overwegingen en dus met de vraag of art. 6 EVRM in dit geval dwingt tot het (gedeeltelijk) opheffen van het beslag. Ik stel daarbij voorop dat het antwoord op die vraag niet besloten ligt in de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgens welke art. 6 EVRM in beginsel niet van toepassing is op de beklagprocedure.(6) Het gaat in casu immers niet om de vraag of de beklagprocedure voldoet aan de eisen die art. 6 EVRM aan een eerlijk proces stelt, maar om de vraag of het voortduren van het beslag in strijd is met art. 6 EVRM. Dat is een vraag die geheel los staat van (de inrichting van) de beklagprocedure en die dan ook in een ander kader zou kunnen worden gesteld en beantwoord.(7) Bij wijze van vergelijking wijs ik op het beklag tegen de inbeslagneming van vertrouwelijke correspondentie tussen de raadsman en de verdachte. Aan de stelling dat die inbeslagneming en het uitblijven van een last tot teruggave in strijd is met art. 6 EVRM zal de beklagrechter niet voorbij mogen gaan met het argument dat art. 6 EVRM in de beklagprocedure toepassing mist.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/32c805bddcd9df9d1bebccbea058f340bfdad6ab2fe66dfce1631c63648f5b79. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 32c805bddcd9df9d1bebccbea058f340bfdad6ab2fe66dfce1631c63648f5b79, en de alinea staat in dat document op bytes 19184 tot 20316.