Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2012

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW6674.

De vrijheid van de verdachte om zich te laten bijstaan door een raadsman van eigen keuze is niet onbeperkt. Dat het niet om een absoluut recht gaat, komt duidelijk naar voren in de zaak Croissant tegen de Bondsrepubliek Duitsland (EHRM 25 september 1992, Publ. ECHR Series A, vol. 237-B, NJ 1993/526). Daarin oordeelde het EHRM de toevoeging van een derde "Pflichtverteidiger" (naast de twee raadslieden die Croissant zelf al had gekozen) tegen de uitdrukkelijke wil van Croissant (die voor de extra kosten opdraaide) niet in strijd met art. 6 EVRM. Het EHRM overwoog daarbij dat bij een dergelijke (gedwongen) toevoeging rekening moest worden gehouden met de wensen van de verdachte, maar dat de toevoegende instantie "can override those wishes when there are relevant and sufficient grounds for holding that this is necessary in the interests of justice".

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/32c805bddcd9df9d1bebccbea058f340bfdad6ab2fe66dfce1631c63648f5b79. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 32c805bddcd9df9d1bebccbea058f340bfdad6ab2fe66dfce1631c63648f5b79, en de alinea staat in dat document op bytes 21762 tot 22632.