Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2012

Alinea 85 Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW6744.

2.31 [Eiser] c.s. beroepen zich op verjaring als bedoeld in art. 3:105 lid 1 BW.(20) Deze bepaling verheft tot rechthebbende degene die het goed bezit op het moment dat de extinctieve verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw (aldus expliciet lid 1). Bedoelde verjaringstermijn bedraagt in beginsel twintig jaar (art. 3:306 BW). Zij begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (art. 3:314 lid 2 BW). De verjaringstermijn loopt door zolang het goed in bezit is van een derde, ongeacht hoeveel opvolgende bezitters er zijn en op welke wijze zij het bezit hebben verkregen.(21)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/264f81beaee446ad7e683e10279c20a2c8d9839414f0904e34b1faafb1358cf2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 264f81beaee446ad7e683e10279c20a2c8d9839414f0904e34b1faafb1358cf2, en de alinea staat in dat document op bytes 40699 tot 41534.