Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2012

Alinea 113 Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW6798.

28. Wat de dubbele strafbaarheid in de gekwalificeerde zin betreft, merk ik het volgende op. Bij het uitleveringsverzoek is gevoegd de tekst van de wettelijke bepalingen waaruit blijkt dat de feiten naar het recht van de Republiek Kroatië strafbaar zijn en dat voor die feiten een gevangenisstraf van meer dan één jaar kan worden opgelegd (minimaal 5 jaar en maximaal 20 jaar; art. 120, eerste lid, van het Algemeen Wetboek van Strafrecht van de Republiek Kroatië). In dit verband herhaal ik dat mede gelet op het tussen de Verdragspartijen geldende vertrouwensbeginsel bij de beoordeling van het vereiste van de dubbele strafbaarheid behoort te worden uitgegaan van de juistheid van de mededeling van de verzoekende staat dat het feitencomplex, zoals door de eigen rechter op basis van feitelijk onderzoek is vastgesteld, onder het bereik van de nationale delictsomschrijvingen of strafbepalingen valt (vgl. HR 5 februari 1991, NJ 1991, 404). Uit de omschrijving van de feiten volgt dat deze naar Nederlands recht eveneens strafbaar zijn op grond van art. 6, derde lid sub i en sub e, WIM en op grond van een aantal bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, te weten: art. 282, 310/311/312, 285 en 138, derde lid, Sr. Voor al die feiten kan ook naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van meer dan één jaar worden opgelegd, terwijl de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf meer dan vier maanden beloopt (art. 5, eerste lid, UW). Dat betekent dat is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid, ongeacht of het hier om een vervolgingsuitlevering - de Rechtbank te Vukovar heeft de opgeëiste persoon bij verstek veroordeeld en de opgeëiste persoon staat hiertegen nog een rechtsmiddel ter beschikking - dan wel een executie-uitlevering gaat. Dit neemt mijns inziens niet weg dat het onderscheid tussen vervolgingsuitlevering en executie-uitlevering hier consequenties kan hebben voor de verjaring van het recht tot uitvoering van de straf (art. 76 Sr) in de zin van art. 9 UW als weigeringsgrond voor de uitlevering, en wel ten aanzien van de genoemde commune delicten, een punt dat ter beoordeling van de uitleveringsrechter staat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/21fbb3e4a7e01c5e823aa4457bfaa6884cde06d881c205bcf868e1cb289325e8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 21fbb3e4a7e01c5e823aa4457bfaa6884cde06d881c205bcf868e1cb289325e8, en de alinea staat in dat document op bytes 46197 tot 48364.