Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2012
Alinea 116 Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW6798.
30. In het uitleveringsrecht is sprake van een bevoegdheidsverdeling tussen de rechter die over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft te oordelen en de Minister die, indien de rechter de uitlevering toelaatbaar heeft geoordeeld, uiteindelijk beslist of en, zo ja, onder welke condities daadwerkelijk tot uitlevering zal worden overgegaan. Deze bevoegdheidsverdeling brengt mee dat het oordeel of een opgeëiste persoon te vrezen heeft voor discriminatoire vervolging in de verzoekende staat, tot de competentie van de Minister behoort (art. 10 UW). Bij dat oordeel zal de Minister de vluchtelingenstatus van de opgeëiste persoon kunnen betrekken. Dat een persoon onder de bescherming van het Vluchtelingenverdrag valt, kan voor de uitleveringsrechter geen grond bieden de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren, zo heeft reeds HR 13 januari 1987, NJ 1987, 835 m.nt. Swart geoordeeld: art. 33 van het Vluchtelingenverdrag heeft geen betrekking op de procedure inzake de toelaatbaarverklaring van uitlevering. Dit betekent, lijkt mij, dat beantwoording van de vraag of zich een mogelijk geval van refoulement voordoet aan de Minister (en dus niet ook aan de rechter) is voorbehouden. Het onderhavige geval maakt dat niet anders, dunkt mij.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/21fbb3e4a7e01c5e823aa4457bfaa6884cde06d881c205bcf868e1cb289325e8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 21fbb3e4a7e01c5e823aa4457bfaa6884cde06d881c205bcf868e1cb289325e8, en de alinea staat in dat document op bytes 48795 tot 50063.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/21fbb3e4a7e01c5e823aa4457bfaa6884cde06d881c205bcf868e1cb289325e8 | shasum -a 256