Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2012

Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW7010.

2.5. De Nederlandse wetgever is uitgegaan van de veronderstelling dat de betrokken partijen het juridisch ouderschap zullen willen aanpassen aan de biologische werkelijkheid en dat, als zij dat niet doen, zij daarvoor goede redenen zullen hebben. Zo is in art. 1:200 BW geregeld dat het vaderschap van de wettige vader kan worden ontkend door de wettige vader, de moeder en (een bijzondere curator namens) het kind. Wanneer met succes het vaderschap van de wettige vader is ontkend, kan de verwekker in beginsel het kind erkennen als het zijne (art. 1:203 e.v. BW(4)). Zo nodig kan in dat geval het vaderschap van de verwekker gerechtelijk worden vastgesteld (art. 1:207 BW). Aan de verwekker is niet de bevoegdheid toegekend om het vaderschap van de wettige vader te ontkennen. Dat heeft het hof in deze zaak - in cassatie onbestreden - uitgemaakt(5).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/802f1e7b98d191d7fdcfe334c5beddd94502bc27690f903d31a01087ed2f492e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 802f1e7b98d191d7fdcfe334c5beddd94502bc27690f903d31a01087ed2f492e, en de alinea staat in dat document op bytes 14357 tot 15223.