Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 december 2012
Alinea 820 Parket bij de Hoge Raad 18 december 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 december 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW7190.
Wat betreft het scenario waarmee de officier van justitie de aanwezigheid van het DNA-houdend celmateriaal van een ander dan de verdachte wegverklaart, moet naar mijn mening niet alleen de mogelijkheid van de door de officier geschetste toedracht onder ogen worden gezien, maar juist ook de waarschijnlijkheid ervan. In dit onderzoeksthema moeten onder meer twee vragen worden beantwoord: (i) die naar de mate van waarschijnlijkheid dat het slachtoffer binnen een relevante periode voorafgaande aan het delict een vrijwillig seksueel contact heeft gehad, en (ii) die naar de mate van waarschijnlijkheid dat het DNA-materiaal van dit vrijwillig seksueel contact kan worden aangetroffen bij een onderzoek naar het zedendelict indien zij het bedoelde vrijwillige contact heeft gehad. Als het een of het ander onwaarschijnlijk is, wijst dit op een connectie tussen het zedendelict en het aangetroffen celmateriaal.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dd71af7ddc010aee6e4475d862f7d877a00879807c24e63c549f58a72890638b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dd71af7ddc010aee6e4475d862f7d877a00879807c24e63c549f58a72890638b, en de alinea staat in dat document op bytes 273484 tot 274408.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dd71af7ddc010aee6e4475d862f7d877a00879807c24e63c549f58a72890638b | shasum -a 256