Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 november 2012

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 13 november 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 november 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW9338.

4.15. Uitgangspunt van de wetgever bij de invoering van 126g Sv lijkt te zijn geweest dat opsporingsmethoden die inbreuk maken op de privacy een specifieke grondslag in de wet behoeven en dus niet kunnen worden gebaseerd op taakstellende bepalingen als art. 2 Politiewet 1993 of art. 141 Sv. In mijn conclusie voor HR 20 januari 2009, LJN BF5603, NJ 2009, 225 heb ik betoogd dat voor de vraag of een opsporingsmethode een voldoende grondslag vindt in bepalingen als art. 2 Politiewet 1993 en art. 141 Sv niet bepalend is of die methode inbreuk maakt op de privacy, maar of de methode naar wat destijds het "huidig" inzicht van de wetgever was inbreuk maakt op de privacy. De wetgever heeft in de Wet Bob de grens tussen vormen van observatie die inbreuk maken op de privacy en vormen van observatie die dat niet doen, getrokken met behulp van het begrip stelselmatige observatie. Dat wil zeggen dat vormen van observatie die niet als stelselmatige observatie in de zin der wet kunnen worden aangemerkt, naar het inzicht van de wetgever van destijds geen inbreuk maken op de privacy en dus een toereikende grondslag bieden in de genoemde taakstellende bepalingen. In deze benadering is dus niet zonder meer beslissend of de observatie inbreuk maakt op de privacy.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08f57f8586812cc097a49568ba578b9d215e93449002446a9993104d273d7233. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08f57f8586812cc097a49568ba578b9d215e93449002446a9993104d273d7233, en de alinea staat in dat document op bytes 27933 tot 29209.